Dwerg…

Als in een vorig bericht aangegeven heb ik de aldaar getoonde sheets van de laatste technische dag van de NHDC bestudeerd. En meldde ik het niet altijd daarmee eens te zijn. Waarmee ik overigens geenszins afbreuk wil doen aan de voortreffelijke wijze waarop het geheel aan foktechnische aspecten aan de orde is gebracht. Chapeau daarvoor. Sprekers zijn er mijns inziens meer dan in geslaagd om duidelijkheid te verschaffen in de fok van de NHD. En in hun morele opdracht de neuzen dezelfde kant op te zetten. Wat ook hard nodig is. Nuanceringen kun je echter altijd aanbrengen. En dat wilde ik dus graag doen aan de hand van hetgeen verteld is over de dwergfactor. Per definitie is wat verteld is niet allemaal pertinent onjuist, maar misschien krijgt u door onderstaand stukje toch een wat vollediger/andere kijk op de zaak. Eerst maar even wat er te zien was op het scherm op die dag (citaat):

Dwergfactor

  • Hangoordwergen bezitten de DW factor, die staat voor dwergfactor
  • Dubbele DW factor zorgt dat de dieren klein zijn
  • Door inteelt wordt de DW factor versterkt
  • Sterke inteelt zal er voor zorgen dat de dieren snel kleiner worden cq te klein worden
  • Ook komt het voor dat dieren nog slecht enkele normale jongen krijgen en het merendeel van de jongen de lethaal factor bezit

Blauwoog Pool Piet dec 2012Om te beginnen is de dwergfactor niet voorbehouden aan alleen dwergrassen. De resultaten van deze factor (“dikkopjes” of “peanuts”) worden ook wel geconstateerd in nesten van andere rassen, zij het in een geringere frequentie. Door de dwergfactor in de sheets door middel van hoofdletters weer te geven, te weten DW, brengt men wellicht sommige mensen op een iets verkeerd spoor. De dwergfactor is namelijke een recessieve factor, welke conform de geldende regels door kleine letters (onderkast) wordt weergegeven. Een factor die vanuit de natuur dus het tegenovergestelde van dominant is, wat we weer door hoofdletters doen laten gelden. Net zoals olifantstanden en gespleten penissen ook recessief verervende factoren zijn. Mede gezien in dat licht zult u begrijpen uiterst secuur om te gaan met dergelijke aandoeningen. Want ja, de dwergfactor is in tegenstelling tot de zojuist genoemde min of meer een wel gewenste vorm van een aandoening. We houden hem in stand om kleinere dieren te kunnen fokken. Komen er in je nesten geen “dikkopjes” voor dan doe je ook weer iets niet goed, immers. Hetgeen gezegd is in de sheets dat bij inteelt de dieren kleiner worden ligt altijd op de loer. Maar het is lang niet altijd zo. Het toverwoord is ook hier (zoals zo vaak); selectie. Want er staat nooit op het voorhoofd van zo’n konijntje dat het de factor wel of niet (enkelvoudig) in zich heeft. De mate van aanwezig zijn is ook niet als in een computer, een eentje of een nulletje. Het is niet altijd zo het is er wel of het is er niet. Was het maar zo eenvoudig. Het kan bovendien ook in een bepaalde mate meer of minder aanwezig zijn.

Eerst maar eens even de dwergfactor in een dambordschema, waarbij DwDw een non dwerg (ofwel een grof/groter dier) is, Dwdw is drager voor de dwergfactor en per definitie een (min of meer) showwaardige dwerg, en dwdw staat voor de (sub)lethale recessieve dwergfactor. Deze laatste diertjes komt u wel tegen (als het dus goed is) in de nesten NHD. Ze worden echter ook wel niet geboren óf sterven binnen een paar dagen na de worp. Vandaar de toevoeging sub tussen haakjes. Het feit dat ze vaak ook niet geboren worden, en geen volwaardige embryo’s worden is tevens een oorzaak dat de nesten niet altijd heel groot in aantal zijn. Verparen we twee showwaardige (Dwdw) NHD’s aan elkaar van waar we aannemen dat ze de grootte hebben van een goede dwerg, dan zouden we kunnen veronderstellen dat het ook daadwerkelijke dwergen zijn, die elk (vader als moeder) de dwergfactor voor de helft in zich hebben, dw dus. De andere helft is de dominante factor Dw voor een normaal formaat. De dwergfactor vererft autosomaal recessief, dus het maakt dus echt niet uit of de vader of de moeder de factor wel of niet heeft gerelateerd naar de nafok.

——-Dw—–—dw
Dw—DwDwDwdw
dw—Dwdw—-dwdw

U ziet bovenstaand relaas in dit “sommetje” weergegeven. De F1 nafok als zijnde 100% is theoretisch (behoudens de Wet van de Grote Getallen) opgebouwd als: 50% heeft (gewenst) nagenoeg het formaat van de tentoonstellingswaardige dwerg en weergegeven als Dwdw. 25% heeft de dwergfactor dwdw en dus óf niet geboren worden óf slechts enkele dagen leven als gevolg van deze (sub)lethale factor. En 25% heeft het dominante deel DwDw dubbel vererfd, en dus juist groter (kunnen/zullen) worden dan de ouders. U ziet, dus lang niet altijd worden de dieren kleiner. Het tegendeel kan waar zijn. Het is niet zo dat de factor per definitie frequenter voor gaat komen in de nafok. En u kunt er in de selectie zelfs voor kiezen om zo’n non-dwerg aan te houden voor verdere lijnteelt. Mits voldoende andere eigenschappen aanwezig. Geef in uw schema’s wel aan of je denkt/weet dat deze factor wel of niet aanwezig is. Als gezegd, soms kun je daar in de praktijk wel eens naast zitten. Omdat de scheidslijn in de praktijk lang niet altijd duidelijk is. Kiest u daarvoor (aanhouden van een DwDw dier, nondwerg) dan geeft dat in de nafok naast 50% (mogelijk) showwaardige dwergen (Dwdw) het voordeel dat er geen (sub)lethalen worden geboren, maar wel ook weer 50% nondwergen (DwDw). Het is maar waarvoor je kiest.

——-Dw—–—dw
Dw—DwDw—-Dwdw
Dw—DwDw—-Dwdw

Ik moet toegeven dat er natuurlijk altijd een kans kán bestaan op steeds kleinere dieren als gevolg van deze dwergfactor. Zeker als niet heel stringent wordt geselecteerd en geadministreerd. Deze degeneratie is overigens inherent aan elk ras, en niet alleen voorbehouden aan een dwergras. Als basis voor elke fok (dus ook -of vooral-  lijnteelt is een koppel wat bloedvreemd aan elkaar is wel ideaal. Vaak is de F1 in vitaliteit superieur aan de ouderdieren. Niet altijd in kwaliteit overigens. Soms in grootte overtreffen ze wel beide ouders na de opfok. Een versterkingseffect (hysteresis) vanuit de natuur zelfs als twee rassen met elkaar verpaard worden. Neem muilezels bijvoorbeeld. Door inteelt hoeft echter de dwergfactor dus niet verstrekt te worden. Het is als met alles een kwestie van goede administratie in combinatie met goede selectie. En dan kan de dwergfactor een beheersbare factor blijken. Mij is gebleken dat in de opleiding voor (konijnen)keurmeesters genetica (inclusief vererving en kleurenleer) soms een toch wat onderbelicht terrein is, helaas. Ik hoop/verwacht met deze uiteenzetting een zekere nuancering te hebben aangebracht in het effect van kleiner worden als gevolg van inteelt. En de juiste notatie van de factor. Bovendien een waarheid als een koe: “Heeft u slechte resultaten, geef de schuld aan inteelt, heeft u goede resultaten, prijs dan de lijnenteelt”. En zo is het.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s